De Ster van de Fee

28/10/2011 tem 31/1/2012 TIMMERMANS-OPSOMERHUIS LIER

 

DE STER VAN DE FEE
Timmermans zei ooit: ‘Heel mijn werk draait en waait rond Kerstmis’
Onder zijn eerste probeersels én zijn laatste verzen treffen we kerstgedichten aan.  Dat het mysterie van de heilige nacht hem heel zijn leven bezighoudt, bewijzen de vele
gedichten, tekeningen, schilderijen, verhalen, toneelstukken en gelegenheidswerken over het thema kerst.

Timmermans’ verhaal over drie zwervers die zich op kerstavond verkleden als ‘de drie koningen’ is nog steeds een stuk cultuurgoed van iedereen. Geen Kerstmis gaat voorbij of ‘De Ster’ wordt in ons land op de planken gebracht. De herkenbaarheid maakt het verhaal tijdloos en toegankelijk.  Het toneelspel krijgt bewerkingen voor radio en televisie en wordt verfilmd.
Aan de basis van het stuk ligt Timmermans’ kortverhaal ‘Driekoningentryptiek’ uit 1923. Nog ouder is ‘Het kindeken Jezus in Vlaanderen’ dat tijdens de Eerste Wereldoorlog verschijnt en van hem dé kerstauteur in Vlaanderen maakt.

ZAAL 1
OVERZICHT VAN HET KERSTTHEMA IN HET WERK VAN TIMMERMANS

1905: gedicht Kerstnacht - Kerstmis (Door de dagen, 1907)
1906: gedicht Sneeuw (Door de dagen, 1907)
1906: gedicht Wintervreugde (Door de dagen, 1907)
1907: gedicht Wintersprookje
1907: lied Driekoningsliedeken
1910: verhaal Annunziata (Begijnhofsproken, 1911)
1911: verhaal Het fonteintje (Begijnhofsproken, 1911)
1914: passage Sneeuw uit Pallieter
1915: opiniestuk De Kerstmis van Vlaanderen
1916: verhaal Het Kindeken Jezus in Vlaanderen (fragmenten)
1917: boek Het Kindeken Jezus in Vlaanderen
1919: verhaal Een kerstnachtgelijkenis (herwerkt voor Driekoningentryptiek, 1923)
1921: voordracht Over ’t Kindeken Jezus in Vlaanderen
1921: verhaal De kerstmis-sater (Het Keerseken in de Lanteern, 1924)
1921: verhaal De twee sterren (herwerkt voor Driekoningentryptiek, 1923)
1922: boek Rond het ontstaan van ‘Het Kindeken Jezus in Vlaanderen’ in: Uit mijn rommelkas
1922: verhaal De herder
1923: boek Driekoningentryptiek
1923: gedicht De herderkens
1924: verhaal En als de ster bleef stille staan … (fragment)
1925: verhaal En als de ster bleef stille staan
1925: boek En waar de ster bleef stille staan …
1925: verhaal Het kerstmiskonijn (Pijp en Toebak, 1933)
1928: verhaal Kerstsneeuw
1929: verhaal De kerstmisroos
1930: tekening bij middeleeuws Kerstliedeken
1931: opiniestuk Wat ‘Het Kindeken Jezus’ geven wil (over: En waar de ster bleef stille staan)
1932: verhaal De Kerstmis te Greccio (De harp van Sint-Franciscus)
1932: verhaal Het einde van een roman
1935: verhaal Van een pasgeboren kindeken. Nieuwe streek van Lange Wapper
1936: verhaal De goede helpers (Vertelsels I, 1942)
1938: kunstbeschouwingen O kerstnacht schooner dan de dagen ...
1939: verhaal Herinnering (aan een driekoningenviering)
1941: verhaal De herder (Minneke Poes, 1942)
1943: boek Een lepel herinneringen
1946: gedicht Maria zingt in gouden avondstond (Adagio, 1947)

HET KINDEKEN JEZUS IN VLAANDEREN
Hoewel gepubliceerd in 1917, na ‘Pallieter’ dus, noemt Felix Timmermans ‘Het kindeken Jezus in Vlaanderen’ zijn eerste boek. Het onderwerp draagt hij al van in zijn kinderjaren mee.
In ‘Uit mijn rommelkas’ (1922) schrijft Timmermans over het ontstaan van ‘Het kindeken Jezus in Vlaanderen’. Inspiratie voor het verhaal haalt hij uit een wandeling door Brugge, de vertellingen van zijn vader, de gebeden van zijn inwonende schoonmoeder en de schilderijen van de Vlaamse Primitieven en Pieter Bruegel.

Timmermans laat het boek beginnen met de Boodschap en eindigen met de terugkeer uit Egypte. Het is een serie tafereeltjes met figuren en gebeurtenissen in het vertrouwde landschap van de Kempen en Vlaanderen. De kleine stad Nazareth ligt op de oevers van de Nete; Gent en omgeving doen dienst als Jeruzalem en Bethlehem. Buurland in het noorden, Nederland, is Egypte.
Innige en diepzinnige passages overheersen, hoewel de oorlog duidelijk aanwezig is.
In een fragment beschrijft Timmermans de blinde herder Judocus die te arm is om een kado aan te bieden. Tijdens het spelen van een melodie op zijn oude viool kan hij het Kind zien als een wonder licht.  Hiermee raakt Timmermans de gevoelige snaar van de lezer.

Het eerste hoofdstuk van het boek verschijnt in De Nieuwe Gids van juni 1916, alvorens het in 1917 in boekvorm uitkomt bij Van Kampen en Zoon in Amsterdam.
Anton Kippenberg vertaalt ‘Het kindeken Jezus’ naar het Duits: in 1919 is hiermee het eerste boek van Timmermans op de Duitse markt een feit.

CITATEN
“Op een zomerdag kwam ik in ’t museum van Brussel en zag daar de werken van Breughel. Ik heb zelden zo verschoten; ik stond daar te rillen van geluk, het deed mijn zo’n goed alsof ikzelf die dingen geschilderd had. Dat was nu het leven van Jezusken, zoals ik het altijd had verlangd te zien! Dat was mijn droom in vlees!  
(...)
Als ik thuiskwam, verrukt en vervuld door die grootse, gelukkige visie, besloot ik elk onderwerp van Breughels evangelies in gedicht om te zetten.”

TONEELBEWERKINGEN
Henri Brochet bewerkt in 1929 de Franse vertaling van Neelf Doff voor toneel.  Twee jaar later vertaalt de Vlaamse regisseur Anton Van de Velde deze bewerking naar het Nederlands. Hij regisseert het stuk voor het legendarische Vlaamse Volkstoneel in 1931 in Brussel. De opvoering is een groot succes.  
Dr. Karl Jacobs schrijft op zijn beurt in 1933 een toneelbewerking in het Duits. Felix Timmermans vertaalt ‘Das Jezuskind in Flandern’ naar het Nederlands en laat het in 1934 publiceren. Op 26 december 1936 voert de Antwerpse KNS het stuk op.
Jozef Contrijn bewerkt het verhaal in 1939 tot luisterspel. Op kerstavond 1946 zendt ook de Franse radio ‘L’enfant Jésus en Flandre’ uit. In 1960 neemt de Duitse televisie ‘Nazaret ligt aan de Nete’ op.

KERSTWERK JAREN ‘10
Onder het pseudoniem Polleke van Mehr publiceert Timmermans in 1907 ‘Door de dagen’, een bundeling van eerder verschenen gedichten. ‘Sneeuw’, ‘Kerstmis’ en ‘Wintervreugde‘ hebben de winter en Kerstmis als onderwerp. Ook het lokale geschiedkundige tijdschrift Lyrana neemt kerstgedichten van hem op. Duidelijk activistisch van toon is ‘De Kerstmis van Vlaanderen’ (1915) in De Vlaamsche Post waarin Timmermans pleit voor de zelfstandigheid van Vlaanderen. Tijdens zijn gedwongen verblijf in Nederland, gevolg van zijn activisme, publiceert Timmermans ‘Een kerstnachtgelijkenis’ (1919) in De Amsterdammer. De verbinding tussen het kerstgebeuren in Vlaanderen en de politieke actualiteit maakte hij eerder ook in ‘Het kindeken Jezus in Vlaanderen’ (1917).


ZAAL 2
DRIEKONINGENTRYPTIEK
Het kerstthema blijft fascineren. Voor de novelle ‘Driekoningentryptiek’ herneemt Timmermans twee eerdere legendes: ‘Een kerstnachtgelijkenis’ uit 1919 en ‘De twee sterren’ uit 1921. Het boek verschijnt in 1923, krijgt een Duitse vertaling in 1924 en een Franse in 1931. Voor de tweetalige Frans-Nederlandse uitgave uit 1935 verzorgt Edgard Tytgat de houtsneden.

‘Driekoningentryptiek’ schetst het beeld van de nietige mens die zijn geluk gaat zoeken waar het niet te vinden is. Hij loopt verkeerd en toch vindt de mens, als hij van goede wil is, genade in Gods erbarmen.
In het eerste luik, de eerste Kerstmis, gaan een herder, een palingvisser en een bedelaar op tocht met kerstster en kerstliederen.  
Suskewiet is de vereenzaamde, naar mystiek neigende herder, Pitjevogel de snoevende, opstandige maar hulpeloze palingvisser en Schrobberbeek de doorwinterde bedelaar en kippendief. Ze raken de weg kwijt, komen bij een kar en geven de opbrengst van de avond aan de arme familie.  
Een jaar later, tijdens de tweede Kerstmis, wil de herder alleen nog maar gaan zingen om de opbrengst te schenken aan mensen in nood.  Hij kan niet mee, want hij is ziek.  ‘s Nachts komt het kindje Jezus hem halen.  Zijn vrienden vinden hem dood in bed.
Nog een jaar later blijkt dat de twee overgebleven vrienden uit elkaar zijn gegroeid.  De palingvisser heeft zijn ziel aan de duivel verkocht, de bedelaar heeft geen geld maar is erg gelovig. Op kerstnacht ontdekt hij dat alle mariabeelden zijn verdwenen, uitgezonderd een Onze-Lieve Vrouwebeeldje van Zeven Weeën. Hij draagt haar naar het kruisbeeld van Jezus.

CITATEN
“Later zag ik bij driekoningendag de drie koningen met hun kartonnen ster van huis tot huis gaan en hoorde hen, onder meerdere oude liedjes, ook dit zingen.  Die mannen zijn mij steeds bijgebleven in mijn herinnering.  Ze waren arm, riekten zuur en vuil en hun kapotte doorgenevelde stem klonk triestig en komiek.  
(...)
De drie mannen met hun lied bleven in mijn herinnering, alsof ze er in geschilderd stonden. En toen ik later boekjes begon te schrijven dacht ik wel eens aan die mannen.  Hun herinneringsbeelden kwamen steeds weer aan mijn verbeelding kloppen.”

KERSTWERK JAREN ‘20
‘De kerstmis-sater’ (1921) is een duivelssage. Met kruis en processie worden spookdieren, bosgeesten, nimfen en gedrochten verdreven uit de Begijnenbossen. De ouder sater wreekt zich op Stans, die op kerstavond bevalt van een harig kind met bokkepoten. In het kerstgedicht ‘De Herder’ (1922) vindt de hoofdfiguur in de kerststal de Man van Smarten met de doornenkroon en de kruiswonden. ‘Het kerstmiskonijn’ (1925) wordt later als verhaal opgenomen in Pijp en toebak (1933). ‘De kerstmisroos’ (1929) is een gelegenheidsstuk over de kruisbloemige woestijnplant die, op kerstavond in het water gezet, bloeit tegen middernacht.

KERSTWERK JAREN ‘30
In 1930 voorziet Timmermans het middeleeuwse ‘Kerstliedeken’ van een tekening dat als een afzonderlijke druk aangeboden wordt. ‘Het einde van een roman’ (1932) is het intrieste verhaal van Roos Luijten, die haar laatste dagen slijt in een godshuis. Buiten de tijdsdaanduiding is het nauwelijks een kerstverhaal. Sprankelend van humor en raak getypeerd zijn dan weer ‘De Goede Helpers‘ (1934), die de Heilige Familie helpen vluchten voor Herodes.